Sophie (4)

Meisje in de kast,

Take me away from this place
in a rush and spinning grace
Take me away from this place
from the buzzing of half remembered fails

Het is inmiddels al lang geleden, maar als de dag van gisteren herinner ik me het beeld dat ik zag in de grote passpiegel van m’n moeder. Mijn ouders, ze waren weer eens een avondje uit. Daarbij hun 12 jarige zoon voorzien van de gebruikelijke fles limonade en een zak chips voor de televisie achter latend. “Om tien uur naar bed en geen Haarlemmerdijkies”, luidde de standaard instructies van mijn vader. Wat dat laatste nu eigenlijk betekende, begreep ik toen nog niet. Zonder veel fantasie zou ik me op dergelijke avonden aan mijn lot overgelaten gevoeld kunnen hebben. Toch zag ik er vaak naar uit het huis een paar uur voor mezelf alleen te hebben.

Was het mijn lot dat ik daar zag in die spiegel? Ik kon het toen nog niet weten, voor een moment hield ik mijn adem in.

Nog niet eerder had ik gedurfd me zo te buiten te gaan aan de make up spullen van mijn moeder, had ik mijn halflange blonde haar in een meisjes achtige coupe gehannest en met opgerolde sokken een bescheiden cupje onder haar strakke 50er jaren jurk geboetseerd. Op haar hoogste hakken was ik met weke knieën voor de grote spiegel in haar slaapkamer gestapt om het resultaat te bekijken. Even had het meisje me met grote verbaasde ogen aan staan staren. Een mengeling van verbazing, opwinding en angst golfde door m’n lichaam. Het voelde geweldig, maar tegelijk ook niet. Er was vooral twijfel. Was het wel normaal dat ik dit fijn vond? Mocht dit wel? Het zweet brak me uit en zenuwachtig wilde ik me weer zo snel mogelijk van haar ontdoen, maar eigenlijk ook weer niet. Zo stond ik daar bevroren in het moment, mijn blik gevangen in het spiegelbeeld.

Nu nog heen en weer geslingerd tussen collaboratie en verzet, maar het meisje in de spiegel had haar intrek in mij genomen om nooit meer te weg te gaan. Mijn kast was gevuld en die twijfel zou ik nog lang bij me dragen.

Samen groeiden we op, het meisje in de kast en ik. Ze zocht me op in de momenten dat ik alleen thuis was en me eenzaam voelde. Soms genoot ik enorm van haar gezelschap en trokken we er samen even op uit. Stiekem in het donker een rondje fietsen. Maar even vaak voelde het vreemd en probeerde ik haar op afstand te houden. Ze was onvoorspelbaar en er was niemand die ik over haar durfde te vertellen. Wat hield me tegen zou je denken.

Opgroeiende in de jaren tachtig van de vorige eeuw, in een tijdperk zonder internet, in een maatschappij verhard door werkloosheid en nucleaire dreiging vond ik het maar moeilijk om mezelf te kunnen zijn. Artiesten als Boy George en Bronski Beat konden maar op weinig enthousiasme rekenen bij mijn klasgenoten. Alles en iedereen met een afwijkende geaardheid of voorkeur was iets om raar te vinden en het liefst belachelijk of voor “homo” uit te maken. Het voelde nietig en om koste wat het kost te voorkomen dat iemand iets aan mij zou merken, deed ik daar vaak zelf maar aan mee. Ironisch en verdrietig, maar zelfspot blijkt nu eenmaal een effectief beschermingsmiddel. Informatie over mijn eigenaardigheid was in die maar moeilijk te vinden en om met gelijkgestemden, in contact te komen, zou ik er niet aan ontkomen uit de anonimiteit te moeten treden.

Bestonden er eigenlijk wel mensen zoals ik?

Maar men zou er dan van weten en daar “ik weet niet wat” mee kunnen doen.

Zo werd die angst groter dan ik zelf.

Ik zwom nog liever een oceaan over.

De keren dat er op televisie iets over dit onderwerp te zien was waren sporadisch en in mijn omgeving werd er dan vaak wat lacherig over gedaan of opmerkingen over gemaakt waaruit ik geen andere conclusie kon trekken dan dat het “niet normaal” was wat die mensen deden.

……………Ik was dus ook niet normaal.

Langzaamaan leerde ik me te conformeren aan het beeld waaraan ik dacht te moeten voldoen. Beet mijn tong af en liet de “doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg” doctrine zo ook de mijne worden.

Ik kreeg een hekel aan die kant van mezelf en probeerde er van los te komen met alle kracht en energie die ik in me had. Het waren eenzame en uitputtende jaren.

Wat mij ook tegenhield was, dat de familie van mijn moeders kant een rijke historie bezat in tal van psychische aandoeningen, welke bij mijn moeder hadden geresulteerd in langdurige opnamen in allerlei klinieken en instellingen. Manisch Depressief of Bipolair zoals men het tegenwoordig noemt, was de diagnose.  Bang om het zelfde lot te zijn beschoren, sloot ik me in mezelf op. In mijn aandrang en gevoel om liever vrouw te willen zijn vond ik immers het overtuigend bewijs dat er met mij ook iets niet pluis was. Misschien had ik wel hetzelfde als mijn moeder was mijn angst. Als 12 jarige wist ik immers nog niets van dit soort zaken en dat haar en mijn conditie maar weinig raakvlakken hadden zag ik toen nog niet. De angst mijn moeder achterna te gaan zou als een donkere wolk boven mijn pubertijd blijven hangen. Echter was er kennelijk nog niemand die iets aan me had gemerkt, dus besloot ik dat ik maar beter net kon doen alsof er niets met me aan de hand was. Verheugd in dit besluit een oplossing te hebben gevonden stopte ik het meisje hardhandig terug in haar kast, terug in haar eenzaamheid.

Jaren verstreken, waarin ik mijn leven zo goed en kwaad als het ging probeerde vorm te geven.

Het afronden van een opleiding en het vinden van een baan, waren immers toch de belangrijkste mijlpalen die een mens in zijn of haar leven bereiken kon?

De doctrine van mijn ondernemende vader, die zich in de naoorlogse jaren zo onbaatzuchtig had ingezet voor de wederopbouw. De rug recht en werken tot je erbij neerviel. Alsof er geen andere deugden bestonden. Over geluk en jezelf kunnen zijn, werd toen nog niet gesproken. Hij wist niet beter en ik ben ervan overtuigd dat hij mij naar eer en geweten heeft opgevoed. Ik neem het hem ook niet kwalijk meer.

Ik werd verliefd op een vrouw. Het lukte me zelfs ondanks mijn gebrek aan eigenwaarde erin te geloven dat er iemand was die haar leven met mij wilde delen.

Het pleit leek gewonnen en misschien kon ik toch een “normaal” leven tegemoet te gaan. Toen we samen gingen wonen kon ik mijn geluk dan ook niet op en verklaarde mezelf genezen. De leegte en het gevoel maar half te bestaan, half te leven, bleef er altijd. Maar die probeerde ik nu te vullen met de dagelijkse beslommeringen die een jong gezin met zich mee brengen.

Het meisje in de kast verdween naar de achtergrond en er waren dagen, weken en soms zelfs maanden dat ik niet aan haar dacht. Maar dan was daar soms toch ineens weer een gebeurtenis waarbij er een streep licht de kast in viel en dat ze me met de deur op een kier, even fijntjes aan haar aanwezigheid deed herinneren. Bijvoorbeeld een trouwerij of kerstdiner, waarbij ze ook zo graag zou willen schitteren in een mooie jurk, make up en hakken. Op zulke momenten hield ze me in de houdgreep, kneep me fijn en wrong ieder beetje vertrouwen weer uit me. Haar eenzaamheid werd dan weer even de mijne. De laatste jaren kwam ze steeds vaker langs, totdat ze ten slotte weer iedere dag in mijn gedachten was en een stil verdriet op de achtergrond werd dat nooit meer leek weg te willen gaan.

Soms vraag ik me wel eens af, hoe mijn leven er nu uit zou zien als mijn vrouw die zaterdagochtend niet de kamer in zou zijn gekomen en die alles daarna bepalende vraag zou hebben gesteld.

Zou ik ooit de moed hebben gekregen om het haar te vertellen, of zou ik voor altijd met mezelf die strijd in het donker hebben moeten blijven voeren?

Waarschijnlijk zal ik het nooit weten en daar kan ik me nu ook bij neerleggen. Dingen gebeuren nu eenmaal met een reden. Waarschijnlijk was ik er klaar voor en heeft het universum mij daarmee een zetje in de goede richting gegeven. Uiteindelijk heeft het mijn leegte gevuld en daarmee kan en wil ook nooit meer terug naar hoe het was. Soms lijkt het een dubbelleven wat ik leid, maar dat is toch beter dan een half leven?

Twee halve maken samen immers ook een hele.

Sophie